Go to Naturalis.nl

Search results

Record: oai:ARNO:226914

AuthorsA. Boesveld, V.J. Kalkman
TitleVerspreiding en habitat van de zeggekorfslak Vertigo moulinsiana in Zuid-Holland
PublisherEIS-Nederland
PlaceLeiden
Year2007
Pages23
KeywordsVertigo moulinsiana; zeggekorfslak; habitat; verspreiding
AbstractIn 2005 werd onverwachts de zeggekorfslak op twee plaatsen in Zuid-Holland aangetroffen (Boesveld, 2005). De zeggekorfslak staat op de Habitatrichtlijn en geniet wettelijke bescherming. Om hieraan invulling te kunnen geven is het voor de provincie Zuid-Holland van belang om goede informatie over de verspreiding, biotoopkeuze en beheer van deze soort te hebben. In 2006 heeft de provincie daarom aan EIS-Nederland de opdracht gegeven om het voorkomen van de soort in de provincie in kaart te brengen.
Tijdens het in 2006 uitgevoerde veldwerk is V. moulinsiana in totaal in negen (deel)gebieden aangetroffen: Nieuwkoopse plassen, Kagerplassen, Braassemermeer en Wijde Aa, Rotte, Hennipsloot en Lange Vaart, Vlietlanden, Kinderdijk, Groote- of Achterwaterschap en De Alblas. Met uitzondering van de Nieuwkoopse plassen waar slechts één populatie werd gevonden, werden in al deze gebieden meerdere of zelfs vele populaties aangetroffen. Vooral in de Hooge Boezem van de Overwaard bij Kinderdijk is de soort erg talrijk. Naar schatting kwamen langs een traject van circa 100 meter tienduizenden zeggekorfslakken voor. De dichtheden lopen hier op tot circa 500 exemplaren per vierkante meter. Ook bij het Norremeer in het Kagerplassengebied werden plaatselijk zulke dichtheden geschat. Bij Kinderdijk strekt het leefgebied van V. moulinsiana zich uit langs een groot deel van de boezem de Groote of Achterwaterschap. Vanaf Kinderdijk tot aan het plaatsje Donk, een afstand van ca 11 km komt de soort voor.
Ondanks dat de soort veel algemener blijkt te zijn dan altijd werd aangenomen is ze toch kritisch in haar biotoopkeuze. In Zuid-Holland bestaat de biotoop vooral uit brede, moerassige oevers, bij voorkeur verlandingsoevers, met veel vegetaties van grote zeggen. De oevers dienen sinds lange tijd extensief beheerd te worden en grotendeels onbeschaduwd te zijn. Het is van belang dat er een permanent hoog grondwaterpeil is (meestal op maaiveld tot 10 cm onder maaiveld). Deze biotoopkeuze wijkt duidelijk af van de vindplaatsen in Zuid-Limburg waar ze in broekbossen in beekdalen met kalkrijke kwel gevoede moeraszeggenvegetaties is gevonden (Gmelig Meyling et al 2006). De dichtheden zijn in de Zuid - Limburgse biotopen overigens beduidend lager dan in Zuid-Holland. Het merendeel van de Nederlandse populaties bevindt zich in Zuid-Holland. Daarnaast zijn ook de dichtheden die in Zuid-Holland zijn aangetroffen veel hoger dan de elders gemelde dichtheden. Hierbij moet wel worden aangetekend dat het onderzoek naar de verspreiding van de soort in Nederland nog in volle gang is.
De zeggekorfslak blijkt voornamelijk beperkt tot extensief beheerde biotopen. Bij extensief begrazing door schapen weet de soort zich goed te handhaven, zoals blijkt op dijktrajecten langs de Groote of Achterwaterschap. Klepelen en intensief maaien zijn echter wel nadelig. Op plaatsen met een dergelijk beheer werd de soort niet aangetroffen. Niets doen of zeer extensief (gefaseerd)maaien zijn goede beheersmethoden. Wel dient men er bij het nietsdoen beheer er voor te waken dat door verruiging zeggenvegetaties kunnen verstikken.
De zeggekorfslak werd het meeste aangetroffen op moeraszegge (Carex acutiformis) maar was tevens vaak aanwezig op oeverzegge (C. riparia) en pluimzegge (C. paniculata). Gedurende het onderzoek werd steeds meer duidelijk dat pluimzegge zeer belangrijk is voor de zeggekorfslak. In al de onderzochte gebieden is ze op deze zeggesoort aangetroffen en de aantallen kunnen oplopen tot enkele honderden dieren per pol.
De compacte pollen bieden uitstekende bescherming tegen weer- en beheersinvloeden. Het voorkomen louter op riet zoals Langs de Hennipsloot nodigt uit tot aanvullend onderzoek.
Classification42.73
Document typebook
Download paperpdf document http://www.repository.naturalis.nl/document/50017