Go to Naturalis.nl

Search results

Record: oai:ARNO:526798

AuthorsE.J. Weeda, G.Th. de Roos, E. Robbrecht, F. Adema, P. Heukels, W. Holverda
TitleKorte mededelingen
JournalGorteria : tijdschrift voor de floristiek, de plantenoecologie en het vegetatie-onderzoek van Nederland
Volume9
Year1979
Issue10
Pages341-345
ISSN0017-2294
AbstractOver het vroegere voorkomen van Chenopodium vulvaria L. in Nederland. Naar aanleiding van een recente vondst van Chenopodium vulvaria bij Assendelft schrijft MENNEMA (1977): „Met P. Heukels, die het verspreidingskaartje gereed maakte voor de Atlas van de Nederlandse Flora, ben ik van mening, dat in Nederland alleen Z.-Limburg tot het areaal van C. vulvaria mag worden gerekend”. Hierbij zou ik de volgende kanttekeningen willen maken: C. vulvaria wordt onder de naam Atriplex olida door VORSTIUS (1633) voor de omgeving van Leiden en door BRUMAN (1662) voor die van Zwolle opgegeven. MEESE (1760, p. 15, nr. 113) geeft op: „Overal in Moes-hoven, en aan de weegen”, BRUINSMA (1840, p. 57, als C. foetidum): „bij Harlingen en Leeuward.” Dat deze soort, hoewel behorend tot de „moeilijke” familie der Chenopodiaceae, destijds goed bekend was moge blijken uit de volgende passage bij DE LOBEL (1581), die haar op p. 308—309 beschrijft onder de naam „Cleyn stinckende Melde ghenoemt Cuttencruydt”: „...Den reuck heeft dit cruydt zeer bekendt ghemaeckt ende bycants schandelick veracht: Want den reuck van dien stinckt ghelijck eene Bock: iae men vraegt de ghene die tselfde ghewreuen hebben tusschen de vinghers/oft sy erghens ghehandelt hebben eenighe vuyle hoere/midts dat gheheel is stinckende ghelijck de vuyle ende stinckende hoeren/waer door dat ghemeynlick Cutten cruydt gheheeten wordt. Als eenighe vrouwen cleedere daer mede ghestreken zijn/soo comen de honden daer aen riecken/ende tot onnutticheyt daer door gedreuen zijnde/ comen met een stijf dinck de selfde feesteren/besonder in de kercken daer vuylen domp wassemt/ouermidts de begrauinghe der dooden/ende oock want die met gheene winden ghesuyuert en worden. Maer ten mach gheensins in spijse ghebruyckt worden.” Uit de vorige eeuw is in elk geval één Nederlandse vindplaats buiten Zuid-Limburg bekend, waar de soort heeft standgehouden, namelijk Zierikzee, waar zij in 1844, 1868 en 1887 werd verzameld. Als nadere vindplaatsopgave wordt bij de vondsten van 1844 en 1887 de Zelkeheuvel vermeld. Het lijkt wel zeer onwaarschijnlijk dat de soort op het in de vorige eeuw zeer „geïsoleerde” Duiveland twee- of driemaal opnieuw op dezelfde plek zou zijn aangevoerd.
Document typearticle
Download paperpdf document http://www.repository.naturalis.nl/document/567207