Go to Naturalis.nl

Search results

Record: oai:ARNO:527129

AuthorsPiet A. Bakker, Bert N.C.M. Maes, Hans J.D. Kruijer
TitleDe wilde rozen (Rosa L.) van Nederland
JournalGorteria : tijdschrift voor de floristiek, de plantenoecologie en het vegetatie-onderzoek van Nederland
Volume35
Year2011
Issue1_4
Pages1-173
ISSN0017-2294
AbstractDit artikel in boekvorm biedt nieuwe inzichten in het complexe geslacht Rosa L. en presenteert een systematische bewerking van de in Nederland in het wild voorkomende rozensoorten. In inleidende hoofdstukken worden de cultuurhistorie, biologie, morfologie, genetica, taxonomie en ecologie van rozen behandeld, daarnaast wordt het natuurbeheer inzake de bescherming van de wilde rozensoorten bediscussieerd en een voorstel voor een Rode Lijst gepresenteerd. Tweederde van de in Nederland inheemse rozensoorten komt in aanmerking voor plaatsing op deze Rode Lijst. Het artikel geeft bovendien een overzicht van de geschiedenis van het rozenonderzoek in Nederland. De systematische bewerking omvat een algemene bespreking van het geslacht, de secties en subsecties, en beschrijvingen van de 26 rozen soorten die in Nederland in het wild voorkomen, inclusief bijbehorende lijntekeningen, foto’s en verspreidingskaartjes; van deze 26 soorten zijn er 17 inheems met autochtone populaties. Dit hoofdstuk wordt voorafgegaan door een determinatiesleutel voor deze 26 soorten.
Rozen zijn polyploïd. Van de 26 in Nederland in het wild voorkomende rozensoorten behoren er 17 tot de sectie Caninae (inclusief de neofyten Rosa glauca en R. villosa). Deze groep omvat genetisch gestabiliseerde hybridogene soorten. Alle soorten van deze sectie zijn van allo poly ploïde oorsprong. Binnen de soorten van de sectie Caninae is de morfologische en genetische variabi liteit groot. Bovendien worden alle soorten in deze sectie gekenmerkt door een afwijkende vorm van meiose (de canina-meiose), waardoor bij de nakomelingen het merendeel van de chromosomen en de meeste onderscheidende kenmerken van de moeder afkomstig zijn (matroclinie). Een aantal voor de determinatie belangrijke kenmerken worden echter via de vader overgeërfd.
Na twintig jaar veldonderzoek aan rozen in Nederland, Duitsland en België, een grondige oriëntatie op de Europese literatuur en consultatie van internationaal vermaarde rozenexperts hebben de auteurs gekozen voor de soortomgrenzingen van Henker in de Illustrierte Flora von Mittel europa.1 Henkers benadering volgt een gulden middenweg tussen splitters en lumpers en zijn soortomgrenzingen zijn vrijwel gelijk aan die in de Duitse Standaardlijst2 en de Atlas Florae Europaea.3 Zij wijken echter af van de soortomgrenzingen die in onder meer Heukels’ Flora van Nederland4 en de Belgische5 en Engelse Flora6 worden aangehouden.
Tijdens het veldonderzoek en de revisie van herbariummateriaal zijn vijf nieuwe rozensoorten voor Nederland gevonden: Rosa henkeri-schulzei, R. inodora, R. nitida, R. pseudoscabriuscula en R. subcanina.
This paper provides new insights in the complex genus Rosa L. and presents a systematic treatment of the wild roses of The Netherlands. It gives an overview of the cultural history, biology, morphology, genetics, taxonomy, and ecology of roses and discusses nature conservation issues concerning wild rose species; a proposal for a Red List is included. The paper also presents an overview of the history of rose research in The Netherlands. The systematic treatment includes species descriptions, illustrations, photos, and distribution maps of the 26 species of roses occurring in the wild in The Netherlands, of which 17 are indigenous with autochthonous populations. This section is preceded by a key for these 26 species of wild roses.
Roses are polyploids. Seventeen species among the 26 rose species occurring in the wild, including the neophytes Rosa glauca and R. villosa, belong to the section Caninae. This group contains genetically stabilised hybridogenic species. All species of this section are of allopolyploid origin and show tremendous intraspecific variability in morphology and genetics. In addition, all representatives of the section Caninae are characterised by a form of unbalanced meiosis (socalled ‘canina meiosis’), by which most chromosomes in the offspring have a maternal origin and offspring traits are primarely derived from the mother plant (matrocliny). A few taxonomically important characters, however, are inherited paternally.
After twenty years of field research in The Netherlands, Germany and Belgium, a thorough study of the European literature, and consultation of several international rose taxonomists, the authors adopted the species delimitations in roses used by Henker in the Illustrierte Flora von Mitteleuropa1, which closely resemble those used in the German Standard List2 and the Atlas Florae Europaea.3 Although Henker’s species delimitations differ from those used in Heukels’ Flora van Nederland4, and the Belgian5 and the British Floras6, his approach represents a perfect compromise between splitters and lumpers.
Revision of herbarium material and field inventories resulted in finding five rose species new to The Netherlands: Rosa henkeri-schulzei, R. inodora, R. nitida, R. pseudoscabriuscula, and R. subcanina.
Document typearticle
Download paperpdf document http://www.repository.naturalis.nl/document/567530