Go to Naturalis.nl

Search results

Record: oai:ARNO:527408

AuthorErnst Oosterveld
TitleLepelbladveenmos (Sphagnum platyphyllum (Braithw.) Warnst.) na 50 jaar terug in Nederland
JournalGorteria : tijdschrift voor de floristiek, de plantenoecologie en het vegetatie-onderzoek van Nederland
Volume35
Year2011
Issue5
Pages181-187
ISSN0017-2294
AbstractGedurende een veenmosinventarisatie in februari 2007 in het Nationaal Park Drents-Friese Wold, op de grens van Friesland en Drenthe, vond ik Lepelbladveenmos, S. platyphylum (Braithw.) Warnst., een veenmossoort die in Nederland uitgestorven werd gewaand sinds 1955. In Europa is Fennoscaninavië de kern van het verspreidngsgebied, maar de soort komt ook voor in het laagland van West-, Midden- en Oost-Europa. In zuidelijker gelegen delen van Europa beperkt de soort zich vooral tot berggebieden. Lepelbladveenmos groeit in laagveen en op andere natte en modderige of tijdelijk droogvallende locaties als poelen, vennen, beek- en meeroevers. In het Drents-Friese Wold werd Lepelbladveenmos gevonden net ten zuiden van het Aekingerbroek, het oorsprongsgebied van de Vledder Aa, in een ondiepe beekbedding op voedselarme zandgrond. Achttien jaar geleden is door Staatsbosbeheer op deze plek het naaldbos en de bovenste bodemlaag verwijderd en de beekloop hersteld.
In de periode voor het natuurherstel was Lepelbladveenmos hier niet aanwezig. Op basis van drie vegetatieopnames kan de groeiplaats van het Lepelbladveenmos bij het Aekingerbroek worden gekarakteriseerd als oligotroof en zuur en licht onder invloed van grondwater. De trofiegraad van de groeiplaats blijkt minder voedselrijk te zijn dan van de groeiplekken buiten Nederland bekend is.
De verbindende schakel is wellicht de invloed van grondwater dat licht is aangerijkt met nutriënten.
De aanwezigheid van Geoord veenmos (S. denticulatum Brid.) en Veelstengelige waterbies (Eleocharis multicaulis (Sm.) Sm.) wijst ook op enige grondwaterinvloed. Een andere hypothese over de verbindende schakel is een lichte eutrofiëring als gevolg van mineralisatie van de resterende organische stof na afgraven van de bodem. Het abundant voorkomen van Pitrus (Juncus effusus L ) wijst in deze richting. Als de eerste hypothese waar is, kan worden verwacht dat Lepelbladveenmos zich op de plek zal handhaven; als de tweede hypothese waar is, zal de soort er waarschijnlijk op den duur verdwijnen.
In Europe, the centre of abundance of Sphagnum platyphyllum is in Fennoscandinavia. The species also occurs across the lowlands of Western, Central, and Eastern Europe; becoming increasingly montane to the south. Although S. platyphyllum was thought to have been extinct in the Netherlands since 1955, it was discovered in the Drents-Friese Wold National Park – on the border between Friesland and Drenthe Provinces – during a February 2007 Sphagnum inventory. The specific locality of S. platyphyllum was just south of Aekingerbroek, the source of the River Vledder Aa. Eighteen years ago, this location and the surrounding area was reclaimed from commercial forestry by ‘Staatsbosbeheer’, an organisation commissioned by the Dutch government for the maintenance, restoration, and development of woodland, nature reserves, and landscape. Before the restoration measures, Sphagnum was absent from the site.
Across Europe, Sphagnum platyphyllum populations occur primarily in fens and other wet, muddy, or seasonally flooded sites like pools, ponds, and lake- and riversides. At the Drents-Friese Wold site, S. platyphyllum was found growing in a shallow river bed on poor, sandy soil. Based upon three vegetation relevees conducted by the author, the locality was classified as oligotrophic, acid and weakly influenced by groundwater. The trophic level of this habitat is less eutrophic than S. platyphylum habitats commonly observed outside of the Netherlands. One explanation for this unexpected result is additional nutrient input by weakly nutrient-enriched groundwater. The presence of S. denticulatum Brid. and Eleocharis multicaulis (Sm.) Sm. at the site supports this hypothesis. Another explanation for the relatively low trophic level is a slow but continuous mineralisation of organic matter following the restoration project. A high density of Juncus effusus L. at the site supports this second hypothesis. If the first hypothesis is true, it is likely that S. platyphylum will persist at the site. If the latter hypothesis is true, it is likely that the species will eventually disappear.
Document typearticle
Download paperpdf document http://www.repository.naturalis.nl/document/567805